
Jurisprudentie
AF2309
Datum uitspraak2003-02-25
Datum gepubliceerd2003-07-18
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers02605/01
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2003-07-18
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers02605/01
Statusgepubliceerd
Indicatie
5 februari 2003 Strafkamer nr. 02605/01AG/IK Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 4 april 2001, nummer 22/001660-99, in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1950, zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande. 1. De bestreden uitspraak ...
Conclusie anoniem
Nr. 02605/01
Mr Wortel
Zitting: 17 december 2002
Conclusie inzake:
[verzoeker = verdachte]
1. Verzoeker is, na verwijzing door de Hoge Raad, door het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens "valsheid in geschrift, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden.
2. Namens verzoeker heeft mr. J. Kuiper, advocaat te Amsterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld.
3. In het eerste middel wordt er over geklaagd dat het Hof ten onrechte heeft nagelaten een afzonderlijke beslissing te geven op het namens verzoeker gevoerde verweer dat hij geen werkzaamheden heeft verricht waarvan melding gemaakt diende te worden op inlichtingenformulieren AAW/WAO van het Gemeenschappelijk Administratiekantoor.
4. In het derde middel wordt er over geklaagd dat geen afzonderlijke beslissing is gegeven op verzoekers eigen opgave ter terechtzitting dat ballonvaarten voor hem geen werk vormden maar een hobby waren, terwijl dit is aan te merken als een stelling die met de bewezenverklaring onverenigbaar is.
5. Deze middelen lenen zich naar mijn inzicht voor gezamenlijke bespreking.
6. Bewezen is verklaard dat verzoeker:
"op 21 maart 1994 en op 9 mei 1995, te Heiloo, (telkens) een geschrift, (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - te weten (telkens) een inlichtingenformulier AAW/WAO van het Gemeenschappelijk Administratiekantoor te Alkmaar, waarop opgave moest worden gedaan (onder meer) van werk valselijk heeft opgemaakt immers heeft verdachte (telkens) valselijk
-op een formulier, gedateerd 21/3 (1994), betrekking hebbende op het jaar 1993 en/of het jaar 1994, bij de vraag: "hebt u vorig jaar en/of dit jaar gewerkt?" het vakje nee aangekruist
-op een formulier, gedateerd 9/05 (1995), betrekking hebbende op het jaar 1994 en/of het jaar 1995, bij de vraag: "hebt u vorig jaar en/of dit jaar gewerkt?" het vakje nee aangekruist
en (telkens) dat formulier ondertekend, met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken."
7. Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat het Hof als die werkzaamheden, waarvan verzoeker in de bedoelde formulieren opgave had moeten doen, heeft aangemerkt het uitvoeren van ballonvaarten waarbij betalende passagiers zijn meegenomen.
8. Opmerking verdient dat het Hof slechts een deel van het tenlastegelegde bewezen heeft verklaard. Het door de Hoge Raad vernietigde arrest (waarin het in eerste aanleg gewezen vonnis ten aanzien van onder meer de bewezenverklaring was bevestigd) hield in - kort gezegd - verzwijging van inkomsten en werkzaamheden. Thans betreft de bewezenverklaring alleen de verzwijging van de omstandigheid dat verzoeker in de desbetreffende jaren heeft gewerkt.
9. In de conclusie bij het in deze zaak eerder door de Hoge Raad gewezen arrest is opgemerkt dat verzoekers verklaring, voor zover inhoudend dat passagiers via een stichting waarvan verzoeker voorzitter was betaalden voor deelname aan ballonvaarten die verzoeker met een ballon van de stichting uitvoerde, voor het verzwijgen van die omstandigheid nog wel redengevend te noemen is.
Na verwijzing heeft de raadsvrouwe ter terechtzitting van 20 september 2000 betoogd dat uit die, in het vooronderzoek afgelegde, verklaring van verzoeker volgt dat verzoeker de ballonvaarten niet als werk uitvoerde, maar als hobby. Ook betoogde de raadsvrouwe dat verzoeker het uitvoeren van de ballonvaarten ziet als een middel om deze hobby te kunnen uitvoeren, in verband met het aantal vlieguren dat moet worden gemaakt om het brevet te behouden.
Als "klap op de vuurpijl" noemde de raadsvrouwe verder een uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Alkmaar, gewezen in de administratiefrechtelijke procedure. Geciteerd werd een deel van de uitspraak, waarin is overwogen dat niet duidelijk is geworden of, en zo ja in welke omvang, verzoeker werkzaamheden voor diverse stichtingen heeft verricht.
De raadsvrouwe betoogde dat hieruit blijkt dat de vraag "heeft u gewerkt" uitsluitend ziet op werk waarmee inkomsten worden verworven.
10. Bij tussenuitspraak heeft het Hof het onderzoek heropend en geschorst teneinde de toelichting bij het door het Gemeenschappelijk Administratiekantoor gebruikte inlichtingenformulier AAW/WAO aan de stukken te doen toevoegeven. Met name wenste het Hof te bezien of er een toelichting is gegeven bij de vraag "hebt u gewerkt?".
11. Ter terechtzitting van 21 maart 2001, waarop het onderzoek in verband met de gewijzigde samenstelling van het Hof opnieuw is aangevangen, en naar aanleiding waarvan de nu bestreden uitspraak is gewezen, heeft de raadsvrouwe opnieuw het woord gevoerd overeenkomstig de op de voorafgaande terechtzitting overgelegde pleitaantekeningen.
12. In de bestreden uitspraak is geen afzonderlijke beslissing genomen ten aanzien van de door de raadsvrouwe betrokken stelling. Voorts merk ik op dat de voorzitter ter terechtzitting van 21 maart 2001 de korte inhoud heeft medegedeeld van een inlichtingenformulier AAW/WAO d.d. 31 maart 1989 ten name van verzoeker met de daarbij behorende toelichting, maar dat ik dit stuk niet kon terugvinden bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken.
13. Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat verzoeker vluchten heeft uitgevoerd met een heteluchtballon, waarvan de aanschafkosten zijn verantwoord bij de Stichting [A]. Verzoeker is voorzitter van die stichting. Verzoeker heeft verklaard dat hij per ballonvaart gemiddeld vier passagiers meenam, die daarvoor "via de stichting" moesten betalen. Het gaat blijkens de bewijsmiddelen om ongeveer 50 ballonvaarten in de twaalf maanden voorafgaande aan 3 maart 1994 en ongeveer 88 ballonvaarten in de twaalf maanden voorafgaande aan 10 februari 1995. In de boekhouding van de stichting is over het jaar 1994 een bedrag van fl. 60.819,= (exclusief omzetbelasting) vermeld als inkomsten uit de ballonvaart. Het bewijsmiddel waaruit dit laatste blijkt (een verklaring van een accountant/administratieconsulent) houdt voorts in dat verzoeker geheel op de hoogte was van de inkomsten en uitgaven van de stichting, waarvan hij zelf een boekhouding bijhield.
14. De door het Hof bereikte bewezenverklaring brengt mee dat de verdiensten uit de ballonvaarten niet langer rechtstreeks bepalend voor die bewezenverklaring zijn. Niettemin impliceert het aantal ballonvaarten dat in de bewijsmiddelen naar voren komt dat verzoeker daarmee in de desbetreffende jaren met grote regelmaat bezig is geweest. Ook kan uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat verzoeker zich heeft beziggehouden met de afwikkeling van de betalingen die zijn passagiers "via de stichting" voor de vluchten deden, minstgenomen door die betalingen te administreren.
15. Art. 80 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en art. 78 van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet hielden, zoals de bepalingen golden ten tijde van de bewezenverklaarde gedragingen, in dat degene die aanspraak maakt op een uitkering gehouden is mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk is dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op, of de hoogte van, de uitkering, vgl de conclusie bij HR 1 februari 2000, griffienr 112.685. Tot zodanige feiten en omstandigheden behoren de feiten en omstandigheden die van belang kunnen zijn voor de (nadere) vaststelling van (de mate van) de arbeidsongeschiktheid .
16. Daarom komt het mij voor dat het Hof kon aannemen dat de vraag "hebt u (...) gewerkt?" in de 'inlichtingenformulieren AAW/WAO' niet alleen ziet op werkzaamheden die inkomsten hebben opgeleverd of die werden verricht teneinde inkomsten te verwerven, maar ook op werkzaamheden die een regelmatig terugkerende inspanning vergen, aangezien de uitkerende instantie het vermogen om die inspanningen te leveren van belang kan oordelen voor de (mate van) arbeidsongeschiktheid.
17. De beide middelen berusten op de gedachte dat een zogenaamd 'dakdekkersverweer' is gevoerd waarop een nadere beslissing genomen had moeten worden. De noodzaak een dergelijk verweer - de door de verdediging voorgestane uitleg van een in de tenlastelegging voorkomende term, welke uitleg, indien juist, aan bewezenverklaring in de weg staat - afzonderlijk te weerleggen doet zich met name voor indien toepasselijke wettelijke voorschriften meebrengen dat aan de door de verdediging bedoelde term een betekenis dient te worden toegekend die afwijkt van algemeen spraakgebruik, vgl de annotatie bij HR NJ 1995, 200.
Naar mijn inzicht kan, naarmate aan de door de verdediging bedoelde term een betekenis dient te worden toegekend die met het algemeen spraakgebruik overeenkomt, eerder worden aangenomen dat het verweer reeds in de gebezigde bewijsmiddelen zijn weerlegging vindt.
18. Gelet op de destijds toepasselijke bepalingen uit de Algemene arbeidsongeschiktheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering kan er van uitgegaan worden dat met de vraag "hebt u dit jaar en/of vorig jaar gewerkt" in het inlichtingenformulier AAW/WAO is gedoeld op alle bezigheden die naar algemeen spraakgebruik als werkzaamheid zijn aan te merken, aangezien het vermogen om die werkzaamheden uit te voeren van belang kan zijn voor het bepalen van de mate waarin de betrokkene ongeschikt is arbeid te verrichten.
19. Nu de gebezigde bewijsmiddelen inhouden dat verzoeker met het uitvoeren van een groot aantal ballonvluchten, en de administratieve afwikkeling daarvan, dergelijke werkzaamheden heeft verricht, kan het er naar mijn inzicht voor worden gehouden dat de in deze middelen bedoelde, door de verdediging betrokken, standpunten in de bewijsmiddelen een afdoende weerlegging vinden.
20. Zou aangenomen moeten worden dat een toereikende verwerping van de verweren niet reeds in de bewijsmiddelen is te vinden, dan kunnen de middelen naar mijn oordeel evenmin tot cassatie voeren, aangezien die verweren, gelet op het vorenstaande, slechts verworpen hadden kunnen worden.
21. Het tweede middel behelst de klacht dat voor het bewijs gebruik is gemaakt van een verklaring van zekere Sijnesael, die geen weergave bevat van hetgeen deze getuige zelf heeft waargenomen of ondervonden.
22. In de toelichting op het middel wordt er op gewezen dat ook het Gerechtshof te Amsterdam de verklaring van Sijnesael tot bewijs had gebezigd, waarbij die verklaring onder meer inhield:
"Ik ben als regiomanager opsporingsdienst, in dienst van GAK Nederland BV (...) gemachtigd tot het doen van aangifte terzake valsheid in geschrifte en het opzetteljk doen van een valse opgave, gepleegd door [verdachte] (...)
Blijkens een ingesteld onderzoek door de opsporingsdienst van het GAK heeft verdachte gedurende de periode van 1 januari 1991 tot 11 juli 1995 werkzaamheden verricht en inkomsten genoten waarvan hem duidelijk moest zijn, dat dit werk en deze inkomsten van invloed waren op het recht of de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering."
23. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Amsterdamse Hof omdat in een ander bewijsmiddel het relaas van een opsporingsambtenaar was weergegeven dat mededelingen bevatte die niet op eigen waarneming of ondervinding van de verbalisant berustten doch aan de rechter voorbehouden conclusies vormden.
In de conclusie bij het door de Hoge Raad gewezen arrest is er (ambtshalve) op gewezen dat de boven weergegeven verklaring van Sijnesael hetzelfde defect vertoonde, terwijl de in die verklaring getrokken conclusies niet vereenzelvigd konden worden met conclusies van de rechter omdat de overige bewijsmiddelen daarvoor onvoldoende steun boden.
24. In de nu bestreden uitspraak is de verklaring van Sijnesael als volgt weergegeven:
"Ik ben als regiomanager opsporingsdienst in dienst van GAK Nederland B.V. gemachtigd tot het doen van aangifte ter zake van valsheid in geschrift tegen [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1950 te [geboorteplaats].
[Verdachte] ontvangt vanaf 8 oktober 1986 een uitkering ingevolge AAW/WAO op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80% tot 100%. Blijkens een ingesteld onderzoek door de opsporingsdienst van het GAK heeft hij gedurende de periode van 1 januari 1991 tot 11 juli 1995, derhalve tijdens zijn arbeidsongeschiktheidsperiode, werkzaamheden verricht. [Verdachte] had daarvan middels een hem toegezonden inlichtingenformulier AAW/WAO mededeling moeten doen."
25. Kennelijk heeft het Hof deze namens GAK Nederland gedane aangifte bij de bewijsmiddelen opgenomen omdat daaruit volgt dat verzoeker in de daarin vermelde periode voor het genoemde percentage als arbeidsongeschikt werd aangemerkt en daarom een uitkering ontving, en voorts omdat uit deze verklaring kan worden afgeleid dat het inlichtingenformulier AAW/WAO een geschrift is dat bestemd is tot bewijs te dienen van de gegevens waarnaar in dat formulier wordt gevraagd.
26. Voor zover de verklaring inhoudt dat verzoeker werkzaamheden heeft verricht waarvan hij in de hem toegezonden inlichtingenformulieren melding had moeten maken bevat zij een gevolgtrekking.
Dat behoeft evenwel niet tot cassatie te leiden omdat het Hof kennelijk heeft geoordeeld, hetgeen het op grond van de overige bewijsmiddelen kon doen, dat die conclusie terecht is getrokken. Zoals hierboven uiteengezet meen ik, anders dan de steller van het middel, dat in die bewijsmiddelen besloten ligt dat verzoeker bezigheden heeft ontplooid die zijn aan te merken als werkzaamheden die in de inlichtingenformulieren hadden moeten worden vermeld, vgl HR 12 januari 1999, griffienr 108.795, LJN ZD1326.
Het middel faalt.
27. In ieder geval het tweede middel leent zich naar mijn oordeel voor toepassing van art. 81 RO. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Uitspraak
25 februari 2003
Strafkamer
nr. 02605/01
AG/IK
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 4 april 2001, nummer 22/001660-99, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1950, zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.
1. De bestreden uitspraak
Na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad bij arrest van 29 juni 1999 heeft het Hof in hoger beroep - met vernietiging van een bij verstek gewezen vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Alkmaar van 4 maart 1997 - de verdachte ter zake van "valsheid in geschrift, meermalen gepleegd" veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het eerste en het derde middel
3.1. Het eerste middel bevat de klacht dat het Hof ten onrechte geen afzonderlijke beslissing heeft gegeven op het ter terechtzitting in hoger beroep van 21 maart 2001 gevoerde verweer dat de verdachte geen werkzaamheden heeft verricht waarvan melding gemaakt diende te worden op het inlichtingenformulier AAW/WAO van het Gemeenschappelijk Administratiekantoor. Het derde middel voert aan dat het Hof geen afzonderlijke beslissing heeft genomen op het ter terechtzitting in hoger beroep van 21 maart 2001 gevoerde verweer dat er geen sprake is van werk maar van een hobby, terwijl dit aan te merken is als een stelling die met de bewezenverklaring onverenigbaar is.
De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
3.2. Ter terechtzitting van het Hof op 21 maart 2001 heeft de raadsvrouwe, voorzover voor de beoordeling van de middelen van belang, het volgende aangevoerd.
"De A-G [bij de Hoge Raad] merkt nog op dat de verklaring van cliënt dat hij ballonvaarten heeft verzorgd zijns inziens wel redengevend kan worden geacht voor de vraag "hebt u vorig jaar en/of dit jaargewerkt?". De A-G baseert zich daarbij echter uitsluitend op de verklaring als opgenomen in de bewijsmiddelen. Bekijken we de in het dossier opgenomen verklaring nader, dan is duidelijk dat cliënt aangeeft wel ballonvaarten uit te voeren, maar dit voor hem geen 'werk' is maar een hobby. Omdat ook alleen met het uitvoeren van ballonvaarten de voor de vergunning benodigde vlieguren kunnen worden verkregen, beschouwt cliënt dit ook helemaal niet als werk, maar als middel om zijn hobby te kunnen blijven uitoefenen."
Naar aanleiding van een uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Alkmaar, sector bestuursrecht, van 15 juli 1998 heeft de raadsvrouwe op die zitting tevens aangevoerd:
"Duidelijk wordt hieruit dat de vraag "heeft u gewerkt" ziet op werk, arbeid, waarmee inkomsten worden verworven en dat ditzelfde geldt voor 'andere inkomsten': het GAK is alleen geïnteresseerd in die andere inkomsten, gelet op de betreffende regeling in de WAO, wanneer dit andere inkomsten uit arbeid betreft. Een bevestiging mitsdien van de eerder naar voren gebrachte verweren."
3.3. De bewezenverklaring houdt in dat de verdachte:
"op 21 maart 1994 en op 9 mei 1995, te Heiloo, (telkens) een geschrift, (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - te weten (telkens) een inlichtingenformulier AAW/WAO van het Gemeenschappelijk Administratiekantoor te Alkmaar, waarop opgave moest worden gedaan (onder meer) van werk valselijk heeft opgemaakt immers heeft verdachte (telkens) valselijk
- op een formulier, gedateerd 21/3 (1994), betrekking hebbende op het jaar 1993 en/of het jaar 1994, bij de vraag: "hebt u vorig jaar en/of dit jaar gewerkt?" het vakje nee aangekruist
- op een formulier, gedateerd 9/05 (1995), betrekking hebbende op het jaar 1994 en/of het jaar 1995, bij de vraag: "hebt u vorig jaar en/of dit jaar gewerkt?" het vakje nee aangekruist
en (telkens) dat formulier ondertekend, met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken."
3.4. Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft het Hof onder meer vastgesteld dat:
(i) de verdachte in 1993 ongeveer 50 en in 1994 ongeveer 88 vluchten met een heteluchtballon heeft uitgevoerd;
(ii) er per vlucht gemiddeld 4 passagiers waren;
(iii) de verdachte voorzitter was van de stichting die de ballon heeft aangeschaft en via welke de passagiers moesten betalen;
(iv) in de boekhouding van de stichting over het jaar 1994 een bedrag van fl. 60.819,- (exclusief omzetbelasting) is vermeld als inkomsten uit ballonvaart;
(v) de verdachte geheel op de hoogte was van de inkomsten en de uitgaven van de stichting, waarvan hij zelf een boekhouding bijhield.
3.5. Art. 80 WAO en art. 78 Algemene arbeidsongeschiktheidswet brachten mee dat ten tijde van de bewezenverklaarde valsheid in geschrift de verdachte mededeling diende te doen van:
"(...) alle feiten of omstandigheden waarvan het hun redelijkerwijs duidelijk is, dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op of de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering of het bedrag, dat daarvan wordt uitbetaald."
3.6. De vraag "hebt u (...) gewerkt?" op het inlichtingenformulier, waarnaar in de bewezenverklaring wordt verwezen, moet daarom worden opgevat als betrekking hebbende op werkzaamheden waarvan het redelijkerwijs duidelijk is dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op, of de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering of het bedrag dat daarvan wordt uitbetaald. Hieruit volgt dat aan het begrip "werk" geen specifieke, van het algemeen spraakgebruik afwijkende betekenis toekomt, in het bijzonder niet dat daarmee wordt gedoeld op werkzaamheden waarvoor een financiële vergoeding is verkregen.
3.7. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen hebben de in de bewezenverklaring bedoelde vragen heel in het algemeen betrekking op de werkzaamheden van de verdachte. Het Hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld, dat het desbetreffende in de tenlastelegging opgenomen begrip "werk" aldaar is gebezigd in de betekenis die daaraan naar algemeen spraakgebruik toekomt. Gelet daarop is het antwoord op dat verweer in de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen aan te treffen. Van een plicht tot nadere motivering waarom het verweer diende te worden verworpen, is daarom geen sprake.
3.8. De middelen falen.
4. Beoordeling van het tweede middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en E.J. Numann, in bijzijn van de waarnemend-griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 25 februari 2003.

